Mijn vader heeft gevraagd of ik erbij wil zijn als hij euthanasie krijgt, en ik heb nog niets gezegd.
Hij is eenenzeventig. Parkinson, vijf jaar nu, en de laatste acht maanden gaat het snel. Hij heeft het gesprek met de huisarts al gehad, de SCEN-arts komt in januari. Hij is volstrekt helder — helderder dan ik, waarschijnlijk. Hij heeft dit in oktober aan de keukentafel gezegd zoals hij vroeger de belastingaangifte besprak: feitelijk, op een rij, met de map ernaast.
En toen vroeg hij: "Wil jij erbij zijn?"
Ik heb gezegd dat ik erover na moest denken. Dat is zes weken geleden.
Ik ben niet tegen. Dat is het niet. Ik vind dat hij het recht heeft en ik zou het hem niet één dag willen afpakken. Mijn zus is er wel helemaal doorheen — zij is er direct bij, zij regelt alles, zij is beter in dit soort dingen dan ik en dat is altijd zo geweest.
Wat ik niet durf te zeggen is dit: ik ben bang dat ik het me zo zal herinneren. Dat vierenveertig jaar vader straks één middag wordt. En dat is een egoïstische reden om er niet te zijn, en ik weet het, en ik kan er niet omheen.
En er is nog iets. Een deel van mij is opgelucht dat er een datum komt. Dat het ophoudt. Dat ik niet nog twee jaar elke zondag een man zie die verdwijnt. Dat ik dat denk, is het ergste wat ik ooit over mezelf heb geweten.
Is hier iemand erbij geweest? Niet of het goed of fout is. Hoe het daarna was, en of je het zou overdoen.
Reacties